Het Mundaneum: de hele wereld in een kaartenbak
In het Belgische Bergen (Mons, want het ligt in Wallonië) zijn in een gerenoveerd warenhuis uit de jaren 1930 de resten te bezichtigen van wat de universele encyclopedie van alle menselijke kennis had moeten worden.
In lange rijen ouderwetse cataloguskasten, met achttien laden boven elkaar langs wanden van tientallen meters, bevinden zich miljoenen vergeelde indexkaartjes. Het ruikt er naar oud, uitgedroogd papier, en de kartonnen tabbladen tussen de kaartjes verbrokkelen als je ze niet zorgvuldig vastpakt. Het koperen beslag opde laden en de fraaie handschriften op de kaartjes voeren je terug in de tijd.

Toch gaat het hier om meer dan een weliswaar uitgebreide, maar duffe kaartenbak. In de twaalf miljoen kaartjes die het systeem een eeuw geleden omvatte, was een groot deel van de gepubliceerde kennis van de mensheid op dat moment opgeslagen. Dat was ook het visioen van de twee oprichters van het Mundaneum, Paul Otlet en Henri La Fontaine. Beiden waren nauw verbonden met de internationale vredesbeweging – La Fontaine kreeg in 1913 zelfs de Nobelprijs voor de vrede – en ze geloofden dat het ontsluiten en delen van kennis een belangrijke voorwaarde was voor een nieuwe, stabiele wereldorde.
De kaartenbakken die zich nu in het Mundaneum bevinden, zijn maar een onderdeel van wat het oorspronkelijke Mundaneum was in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Het omvatte toen een Intrenationaal Museum, een Internationale Bibliotheek, een Internationale Bibliografische Catalogus en de Permanente Encyclopedie. Otlet zag het als het hart van een nieuwe ‘wereldstad’. Maar in de steek gelaten door de Belgische overheid en geplaagd door geldzorgen was het er al slecht aan toe toen het in 1940 door de binnenvallende Duitse troepen gedwongen werd te verhuizen. Niet voor het laatst: in een lange zwerftocht zijn grote delen van de collectie verloren gegaan. De opstelling in Mons is dan ook verre van volledig en lichtelijk ongeordend. Om het gebouw multifunctioneel te benutten hangt men tijdelijke tentoonstellingen vóór de kaartenbakken, als dat zo uitkomt. Maar dan wel tentoonstellingen die bijvoorbeeld met mensenrechten en vrijheid van meningsuiting te maken hebben; dat zou Otlet en La Fontaine wel weer plezier hebben gedaan.
