Hoe wolliger, hoe beter
Geplaatst op 24-11-2011Alle schrijfadviesboeken en -cursussen hameren erop: vermijd wollige teksten. Maar hoe doe je dat? Oefenen in wollig schrijven is een van de mogelijkheden, en wellicht de leukste.

Hoe wollig wilt u het hebben?
Wollige teksten: je krijgt er geen grip op, je kunt er geen conclusies aan verbinden, je weet niet wie nou wat gaat doen en wanneer, en toch staat het papier vol met woorden die op een of andere manier iets met het onderwerp te maken hebben. In sommige situaties is dat opzet van de auteur. Zo wordt het politici mogelijk om het eens te lijken over dingen waar ze het niet over eens zijn. Het CDA grossiert in dit soort teksten. Maar in veel andere gevallen is het niets meer dan gewoonte, gebrek aan aandacht of aan alternatieven. Veel van de gemeenteambtenaren die ik train, schrijven van nature wollig zonder dat dat een bewuste keuze is. ‘Zo doen we dat altijd. Hoe kan het anders?’
Je kunt dan in de theorie duiken over passieve werkwoordsvormen, nominalisaties en abstracties. Maar je kunt ook een frisse, heldere tekst te pakken nemen en hem ombouwen tot een wollig gedrocht. Naar keuze in ambtenarentaal, in managerspeak, in politieke wolligheid, quasi-wetenschappelijk imponerend of in het specifieke jargon van je eigen organisatie. Als je weet hoe de vijand werkt, weet je ook hoe je hem kunt bestrijden.
Ik ontleen dit idee aan de korte workshop die de School voor Schrijftraining op 18 november gaf aan de leden van TekstNet. ‘Maak deze tekst wollig’ was een opdracht uit de Schrijfcarrousel. En dat deden we. De conclusie van deze exercitie zou resumerend kunnen luiden dat dit instrument, onder kwalificerende omstandigheden, een potentieel waardevolle aanvulling kan vormen op de beschikbare mogelijkheden om schrijfcompetenties naar een hoger plan te tillen.